De sociale wifi van het dorp
Mijn vader was bakkersknecht, mijn moeder werkte thuis en pakte borduurpakketjes in van Lanarte. Niks mis mee, hardwerkende mensen die op de centen moesten letten. Als kind wist ik niet dat ons dorp een klassenmaatschappij had. Niemand vertelde het, er was geen folder, geen introductiebijeenkomst en geen examen en toch kende iedereen de regels.
Zo had je bij ons in het dorp Hotel Oostergoo, daar kwam ik nooit, niet omdat het niet mocht, maar omdat je intuïtief aanvoelde dat dat niet onze habitat was. Daar zaten mensen die elkaar bij de voornaam kenden omdat hun families al drie generaties zaken met elkaar deden. Mijn ouders kenden vooral mensen die elkaar hielpen een wasmachine drie keer te repareren voordat ze een nieuwe kochten.
Ook tennis bleek later meer een sociaal filter te zijn. Op korfbal en voetbal zat iedereen, op tennis zaten opvallend veel kinderen van ondernemers en mensen die het woord “ondernemersrisico” gebruikten terwijl ze zelf nooit risico liepen. Ik dacht dat ze een backhand leerden, achteraf gezien leerden ze vooral wie later de bouwvergunningen mocht regelen.
Ik korfbalde op een veld waar de kleedkamer naar natte sokken rook, zij speelden tennis op banen waar de grootste blessure een te warme cappuccino was.
Vakanties waren ook een goede graadmeter, sommige kinderen gingen naar de camping en andere kinderen gingen naar “ons huis in Frankrijk”. Dat kleine woordje “ons” vertelde meer over de financiële situatie thuis dan een volledig belastingrapport.
En dan had je de categorie die beweerden dat geld niet belangrijk was en dat waren dan dezelfde mensen die in een huis woonden waar je mijn complete straat in kwijt kon.
Pas later begreep ik dat klassenverschillen zelden over geld gaan. Geld is slechts een entreebewijs, het gaat om codes, weten waar je hoort te zijn, met wie je praat en welke sport je kiest.
De sociale wifi van het dorp was voor iedereen onzichtbaar, alleen hadden sommige mensen al het wachtwoord voordat ze konden lopen.
Alieneke